Beschermingsklassen I, II en III

De beschermingsklasse bepaalt welke metingen nodig zijn. Klasse I heeft randaarde, dus wordt de beschermingsleiding gemeten. Bij klasse II en III draait de keuring om de isolatie.

Elk elektrisch apparaat heeft een beschermingsklasse: de manier waarop de gebruiker tegen een elektrische schok is beschermd. Voor de keuring is dat belangrijk, omdat de klasse bepaalt welke metingen nodig zijn. De indeling komt uit de internationale norm IEC 61140.

De drie klassen

  • Beschermingsklasse I: basisisolatie plus een aansluiting op de beschermingsaarde (randaarde). Aanraakbare metalen delen zijn via de beschermingsleiding met de aarde verbonden.
  • Beschermingsklasse II: dubbele of versterkte isolatie, zonder aardaansluiting. Herkenbaar aan het symbool van twee in elkaar geplaatste vierkanten op het typeplaatje.
  • Beschermingsklasse III: het apparaat werkt op zeer lage spanning en wordt gevoed uit een SELV- of PELV-bron.

De tabel van Bouwend Nederland noemt daarnaast klasse 0I. Daarvoor gelden dezelfde metingen als voor klasse I, met dit verschil dat de isolatieweerstand altijd wordt gemeten.

Welke metingen per klasse

KlasseKenmerkBeschermingsleiding metenIsolatieweerstand of lekstroom
Iisolatie + randaardejaja, als er uitwendige metalen delen zijn
IIdubbele of versterkte isolatieneeja, als er uitwendige metalen delen zijn
IIIveiligheidskleinspanningneeja, als er uitwendige metalen delen zijn

Bron: Bouwend Nederland (2014), op basis van NEN 3140:2011. In plaats van de isolatieweerstand mag ook de lekstroom worden gemeten.

Waarom de klasse ertoe doet

Bij klasse I hangt de bescherming mede af van een intacte beschermingsleiding. Die wordt daarom bij klasse I gemeten; zie beschermingsleiding meten. Klasse II- en klasse III-apparaten hebben geen beschermingsleiding; daar draait de keuring om de isolatie. Zie isolatieweerstand meten en lekstroom meten.

Ook de indicatieve grenswaarden verschillen per klasse. Voor de isolatieweerstand noemt Bouwend Nederland op basis van NEN 3140:2011 bijvoorbeeld minimaal 1 MΩ voor klasse I, 2 MΩ voor klasse II en 0,5 MΩ voor klasse III. Dit zijn indicatieve waarden; de actuele norm is leidend.

Twijfelt u over de klasse van een apparaat, kijk dan op het typeplaatje of in de handleiding.

Verwante onderwerpen