Bij een lekstroommeting meet de inspecteur hoeveel stroom er ongewenst via de isolatie wegvloeit. Volgens Bouwend Nederland mag een lekstroommeting worden gedaan als alternatief voor de isolatieweerstandmeting. Het Scope 9-inspectieplan van Interpolis noemt het ook zo: gemeten wordt "de isolatieweerstand of de reële lekstroom" van het arbeidsmiddel.
Varianten
Apparatentesters kennen verschillende lekstroommetingen. De datasheet van een veelgebruikte NEN 3140-tester noemt onder meer:
- vervangende lekstroom, gemeten met 40 V wisselspanning;
- lekstroom bij netspanning (230 V);
- aanraaklekstroom.
Indicatieve grenswaarden
| Klasse | Maximale reële lekstroom |
|---|---|
| I | 1 mA |
| II | 0,5 mA |
| III | 0,5 mA |
Bron: Bouwend Nederland (2014), op basis van NEN 3140:2011. De genoemde tester hanteert voor de vervangende lekstroom dezelfde waarden voor klasse I (1 mA) en klasse II (0,5 mA), en 0,5 mA voor de aanraaklekstroom.
Dit zijn indicatieve waarden. Voor apparaten met verwarmingselementen kunnen andere grenswaarden gelden: het ontwerp voor de nieuwe NEN 3140 heeft daarvoor volgens adviesbureau Euronorm een aparte tabel, en de Europese norm NEN-EN 50699 staat volgens een opleider een hogere maximale lekstroom toe voor klasse I. De actuele norm die het inspectiebedrijf toepast, is leidend.
Welke methode?
Of de inspecteur de isolatieweerstand of de lekstroom meet, hangt af van het apparaat en de meetapparatuur. Volgens Bouwend Nederland hoort in het register in elk geval de wijze van keuren te staan: wat er is gemeten en met welke criteria. Zie ook isolatieweerstand meten en meetapparatuur.