De isolatieweerstandmeting controleert of de isolatie van een apparaat de gebruiker nog voldoende beschermt. De inspecteur zet een gelijkspanning op het apparaat en meet de weerstand van de isolatie tussen de spanningvoerende delen en de aanraakbare delen. Is die weerstand te laag, dan schiet de isolatie tekort.
Wanneer wordt gemeten?
Volgens het overzicht van Bouwend Nederland, op basis van NEN 3140:2011, wordt de isolatieweerstand bij alle beschermingsklassen gemeten als er uitwendige metalen delen zijn. In plaats van de isolatiemeting mag ook een lekstroommeting worden gedaan.
Hoe wordt gemeten?
Bouwend Nederland noemt deze aandachtspunten:
- de meting gebeurt met 250, 500 of 1000 V gelijkspanning;
- bij twijfel mag 250 V in plaats van 500 V worden gebruikt, omdat 500 V elektronica kan beschadigen;
- het apparaat moet tijdens de meting ingeschakeld zijn, bijvoorbeeld met de handschakelaar ingedrukt.
Indicatieve grenswaarden
| Klasse | Minimale beproevingsspanning | Minimale isolatieweerstand |
|---|---|---|
| I | 500 V of 250 V | 1 MΩ |
| II | 500 V of 250 V | 2 MΩ |
| III | 250 V | 0,5 MΩ |
Bron: Bouwend Nederland (2014), op basis van NEN 3140:2011. Het zijn indicatieve waarden. Volgens adviesbureau Euronorm blijven de waarden in het ontwerp voor de nieuwe NEN 3140 inhoudelijk gelijk; de tabellen verhuizen naar bijlage R, met een aparte tabel voor apparaten met verwarmingselementen. Ook NEN-EN 50699 kent volgens een opleider een aparte grenswaarde voor apparaten met een verwarmingselement. Controleer daarom de actuele norm die op de keuring van toepassing is; zie NEN 3140.
Klasse en meting
Klasse II-apparaten hebben geen beschermingsleiding; hun bescherming zit in de dubbele of versterkte isolatie. Voor die klasse geldt dan ook een hogere minimumwaarde dan voor klasse I. Zie beschermingsklassen.